Dinsdag, 16 november 1999

Willemstad, Curaçao

 

Open brief  ter gelegenheid van het bezoek van

Hare Majesteit  Koningin Beatrix aan de Isla-raffinaderij

 

 

Majesteit, namens de milieubewegingen  Amigu di Tera en Defensa Ambiental wil ik U een korte schets geven van de situatie waarin wij ons bevinden voor wat betreft het milieu in verband met de olieraffinage op ons eiland, en de belemmeringen voor een gezonde sociaal-economische ontwikkeling die de olieindustrie ons bezorgt.

 

Wij beginnen in 1985. Na bijna zeventig jaar olieraffinage  besloot Shell te vertrekken, omdat zij de olieraffinage op Curacao niet meer rendabel achtte. 1500 banen bij de raffinaderij en nog eens 4000 die indirect gelieerd zijn met de olieoperaties stonden op de tocht. Het ging dus om 5500 banen op een bevolking van 140.000.

 

Voor het symbolisch bedrag van één gulden werd de raffinaderij overgedaan aan de Antilliaanse en Curacaose overheden. Eerdere pogingen de raffinaderij aan de Venezolaanse PDVSA te verkopen waren mislukt. Voor een sterk verouderde raffinaderij die aan forse investeringen toe is vindt men immers niet zo gemakkelijk een koper. Onze overheden richtten zich vooral op het behoud van banen en het uitstellen van een financiële en sociaal-economische ramp. Dit wetende meende Shell bij de overdracht van de raffinaderij haar milieuverantwoordelijkheid en aansprakelijkheid af te kunnen schuiven op de Antilliaanse overheid. De Nederlandse regering was hiervan op de hoogte aangezien zij onze overheden bij de onderhandelingen adviseerde.    

 

De Shell wist precies wat de milieu-erfenis van zeventig jaar olieraffinage op ons eiland betekende en ook dat onze overheden nooit in staat zouden zijn die effectief aan te pakken. De gigantische kosten van het ontmantelen van de raffinaderij, het opruimen en saneren van haar industrieterrein, het havengebied, het netwerk van haar lekkende oliepijpleidingen over grote delen van het eiland, de asfalt- en zuurteerstortplaats, waren de Shell welbekend. Zij gaf deze kostenpost aan ons eiland cadeau en incasserde er ook nog een gulden voor. Onze overheden konden bijna niet anders wilden zij de 5500 banen voor ons eiland behouden.

 

Tijdens de onderhandelingen tussen de Shell en onze overheden was het milieu geen onderwerp van bespreking. Werkelijke kennis van de milieusituatie en de daaraan verbonden kosten ontbraken bij onze overheden.  Het ernstig vervuilde asfaltmeer werd als energiebron aangeprezen en kwam later daarom onder beheer van de lokale olieverkoopmaatschappij Curoil.

 

De raffinaderij wordt sinds 1985 door de eigenaar, het Eilandgebied Curaçao verhuurd aan het venezolaanse bedrijf PdVSA dat de huidige vervuiling grotendeels op conto van het  Eilandgebied schrijft. In 1994 werd een nieuwe huurovereenkomst met PdVSA gesloten met de looptijd van 20 jaar. Deze overeenkomst kan ieder moment eenzijdig door PdVSA worden opgezegd. Er is geen enkele garantie dat de overeenkomst wordt nageleefd en dit is ook niet afdwingbaar. Het huurcontract wordt zelfs boven de hinderwet geplaatst  en dankzij krachteloze procedures is PdVSA verder gevrijwaard van milieueisen. Ook de nog te bouwen energiecentrale die de raffinaderij van electriciteit moet gaan voorzien, de zogenaamde BOO, zal haar deuntje meezingen bij de toekomstige luchtverontreiniging. Zij zal op zwaar verontreinigd asfalt worden gestookt  en als oplossing voor de beperkte rookgasreiniging zullen de vrijkomende verontreinigde gassen via een 200 meter hoge schoorsteen worden uitgestoten. Zo zal ons eiland bijdragen aan de globalisering van de lokale milieuproblematiek.

 

Vandaag, november 1999 kunnen wij terugkijken op bijna een eeuw vervuiling van de raffinaderij en is er nog lang geen begin gemaakt met een effectieve oplossing de milieuproblematiek van de raffinaderij. Hier volgt een opsomming van een aantal problemen die een spoedige oplossing behoeven.

·         Ruim 20.000 mensen ademen dagelijks de giftige rook van de raffinaderij in.

·         De bodem van het raffinaderijterrein is verzadigd met olie die volgens de direktie van de raffinaderij goed is voor 300.000 tot 500.000 vaten.

·         Dagelijks sijpelt een hoeveelheid van deze olie de haven in.

·         De haven is sterk verontreinigd, waardoor elke zinvolle economische en vooral toeristische ontwikkeling in dit gebied weinig kansen krijgt.  Cruisescheepsmaatschappijen doen regelmatig beklag bij de havenautoriteiten over vervuiling van hun schepen en scheepstrossen.

·         Er vindt een voortdurende zee- en kustverontreiniging plaats, onze zeeflora en fauna worden constant bedreigd en onze baaien raken bij draaiende wind met olie besmeurd.

·         Het asfaltmeer van 80 hectare kostbaar havengebied, dat sinds de tweede wereldoorlog met 1,5 miljoen ton afbraakprodukten van de olieraffinage werd volgestort is nog steeds niet opgeruimd.

·         De bodem onder de kilometerslange leidingen die de raffinaderij verbond met haar installaties op Caracasbaai en Bullenbaai werd jarenlang door lekkages vervuild en ligt er vandaag nog steeds zo bij.

·         De grafzerken van het oude joodse kerkhof Beth Haim  worden door de vrijkomende gassen van de raffinaderij aangetast en zijn grotendeels onleesbaar.

 

Kortom wij worden geconfronteerd met een chronische water-, lucht- en bodemverontreiniging van ongekende proporties. De echo van de Shell maakt een gezonde sociaal-economische ontwikkeling van ons eiland onmogelijk. Het lokale defensieve argument dat werkgelegenheid voorop staat  verliest bovendien steeds meer overtuigingskracht omdat de raffinaderij telkens weer werknemers de wacht aanzegt.

 

Shell en PdVSA hebben zodanige afspraken met onze overheden gemaakt dat de feitelijke producenten geen verantwoordelijkheid  voor de milieuverontreiniging hoeven te dragen. De werkelijke vervuiling groeit maar door. Deze slepende milieuverontreiniging hangt als een molensteen aan iedere poging ons eiland verder te ontwikkelen. Wij zijn daarom voorstander van een geheel nieuwe wending in onze ontwikkelingsvisie. Het nieuwe millenium zal er een moeten zijn van een grootscheepse innovatie van onze economie.

 

Shell zal haar verantwoordelijkheid voor de vervuiling van ons milieu moeten erkennen. Ook de Nederlandse regering zal moeten erkennen dat zij in deze kwestie ons eiland geen feitelijke duurzame oplossing heeft aangereikt. Voordat de afbouw van de raffinaderij ons door externe ontwikkelingen wordt opgelegd zullen wij zelf initiatieven moeten nemen voor een duurzame ontwikkeling. De ervaring van de Nederlandse regering met integrale structuurplannen zowel thuis als in het buitenland kan ons hierbij van groot nut zijn. De Shell op haar beurt kan haar verantwoordelijkheid vorm geven door van elke wereldwijd verkochte liter benzine een duizendste cent te storten in een fonds dat bestemd is voor de financiering van de ontmanteling van de raffinaderij en schoonmaak van het gehele Schottegatgebied en andere vervuilde terreinen en wateren van ons eiland. Zo kan haar ecologische schuld worden ingelost en kan ons eiland eindelijk een start maken met een geheel nieuwe economische ontwikkeling die de mensen een verzekerde en gezonde toekomst biedt en tegelijkertijd de natuur de gelegenheid geeft  zich voor een belangrijk deel te herstellen.

 

Ik dank u,

 

 

namens Amigu di Tera en Defensa Ambiental

 

 

 

 

 

Yvette Raveneau